Doorgroeien in de oogheelkunde
1
ziekenhuis verzorgt de A-opleiding
2
ziekenhuizen verzorgen de B-opleiding
5
opleidingsplaatsen per jaar (gemiddeld)
Oogheelkunde is een breed vak en verdeeld in meerdere subspecialismen. Naast microchirurgisch is een belangrijk deel van het vak beschouwend. Je werkt veel samen met andere specialismen zoals bijvoorbeeld endocrinologie, reumatologie, neurologie en kindergeneeskunde. De oogarts levert complexe oogheelkundige zorg en tweedelijnszorg. De patiëntenzorg is vaak verweven met onderwijs en onderzoek. Veel aios doen dan ook promotieonderzoek.
Uniek voor onze regio is dat we opleidingslijnen hebben die gecentreerd zijn in het UMCG of in de gelieerde perifere klinieken. Er is dus keuze om de opleiding te starten in het UMCG of in een van de participerende perifere opleidingsklinieken (Deventer Ziekenhuis, Treant of MST). De aios die in het UMCG start krijgt aan het eind van zijn opleiding een stage van 1 jaar in een van de perifere ziekenhuizen. De aios die start in het perifere ziekenhuis krijgt halverwege de opleiding een stage van 2 jaar in het UMCG. Het UMCG is voor de regio het enige tertiaire verwijscentrum en heeft alle subspecialismes in huis zijn, wat uniek is in Nederland.
Voor beide lijnen geldt dat de opleiding is vorm gegeven rond 10 zogenaamde EPA’s (entrusted professional activity).
- Inleiding tot de oogheelkunde
- De patiënt met een neuro-ophthalmologisch probleem
- Het kind met een oogafwijking of strabismus
- De patiënt met een aandoening aan orbita, oogleden of traanwegen
- De patiënt met een cornea of conjunctiva aandoening
- De patiënt met uveitis
- De patiënt met glaucoom
- De patiënt met cataract
- De patiënt met een retina-aandoening
- Oogheelkunde in de algemene praktijk
In het UMCG is de opleiding georganiseerd rondom stages van de verschillende subspecialisaties. Het UMCG heeft zich volledig toegelegd op 3e-lijns oogheelkundige zorg. Aan iedere stage is een van de stafartsen als begeleider gekoppeld. Tijdens deze stages loopt je specialistische spreekuren mee onder leiding van stafartsen. Afhankelijk van de stages leer je ook de operatieve vaardigheden zoals oogleden, strabismus en cataract en laser. In de perifere klinieken ligt de nadruk op de 2e-lijns oogheelkundige zorg, en een variërend patiënten aanbod. Beide omgevingen vullen elkaar goed aan. Lokale, regionale en landelijke onderwijsmomenten zijn in het leerprogramma geïntegreerd.
Toetsmethodes die gehanteerd worden zijn o.m. de mondelingen introductietoets, de landelijke toets aios Oogheelkunde en de toetsing EPA middels Korte Praktijk Beoordelingen (KPB).
De aios en opleider maken afspraken over persoonlijke leerdoelen basis van de ambitie, leerwensen en de voortgang van de aios, en deze worden in het portfolio vastgelegd. Het bij RGS ingediende opleidingsschema is de basis van het IOP. Het IOP richt zich op de toekomst waarbij de planningshorizon zowel de korte(weken, maanden) als de lange termijn (jaren) kan betreffen. Het IOP is maatwerk voor de individuele aios.Het IOP is een “groeidocument”.
Je bent zelf verantwoordelijk voor het bijhouden van het portfolio tijdens de gehele opleiding. De opleider zorgt ervoor dat het portfolio wordt besproken tijdens de stage-en voortgangsgesprekken. Bespreking van het portfolio kan er b.v. toe leiden dat lacunes worden bijgestuurd of dat extra begeleiding wordt ingezet voor een bepaalde stage.
Zo’n voortgangsgesprek is een formele tussentijdse evaluatie. Voorafgaand aan het voortgangsgesprek levert de aios het portfolio en een individueel opleidingsplan (IOP) in bij de opleider. Voortgangsgesprekken vinden in het eerste opleidingsjaar minimaal 4 keer plaats, in het tweede tot en met vijfde opleidingsjaar minimaal 2 keer per opleidingsjaar.
De opleider oogheelkunde in het UMCG is drs. A.D. Coumou. Plaatsvervangend opleider is dr. J.W.R. Pott.
Het grootste en belangrijkste deel van je opleiding tot oogarts speelt zich af op de werkvloer. Je genereert voor een belangrijk deel zelf je leermomenten tijdens de dagelijkse activiteiten. Hierbij ontvang je continu feedback van de verschillende professionals in je werkomgeving. Het leren vindt dus plaats op de polikliniek, op de spoedeisende hulp, op de operatiekamer, in de kliniek, tijdens overdrachten, bij refereermiddagen.
Daarnaast is er ook specifiek ruimte voor theoretische vorming. Theoretische oogheelkundige kennis wordt, anders dan bij de meeste andere specialismen, pas aangeleerd tijdens de opleiding tot oogarts. De basis is kennis uit het leerboek Kanski, waarover binnen de eerste 3 maanden een summatieve toetsing plaatsvindt.
Daarna word je geacht om je tijdens elke thema-stage te verdiepen in de theoretische kennis binnen dat thema van de EPA. Deze zelfstudie is dynamischer van opzet: aan de hand van de pathologie die de aios in de praktijk tegenkomt wordt de aios geacht om onderliggende theoretische kennis te vormen middels zelfstudie. Toetsing van deze kennis is puur vormend en dus formatief.
Dwars door de thema’s heen verweven wordt een landelijk systeem van summatieve kennistoetsing gehandhaafd. Hieraan is weer een netwerk van landelijk cursorisch oogheelkundig onderwijs verbonden.
Een specifiek aandachtsveld binnen de oogheelkundige opleiding is het aanleren van microchirurgische technieken. Operatieve vaardigheden vertonen in de oogheelkunde een steeds langere leercurve door de complexe apparatuur en microscopische technieken. De opleiding beschikt over een uitgebreid wet-lab ruimte waar de basis technieken van operatief handelen worden geoefend op kunststof of varkensogen. De aios uit alle opleidingsklinieken hebben toegang tot simulatietraining van de cataractoperaties.
